zondag 13 maart 2016

De avonden van Gerard Reve

De Avonden is geschreven door Gerard Reve, samen met Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans wordt hij gerekend tot de ‘grote drie’ schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog. Vooral in de tijd dat het boek was uitgekomen, was het een groot succes. Nu zijn de meningen
over De Avonden verdeeld. Dit komt bovenal doordat er simpelweg vrij weinig gebeurt in het verhaal. En dat is dan ook precies één van de belangrijkste thema’s van dit boek: verveling.


Frits van Egters is een man in de twintig die nog bij zijn ouders woont, waarmee hij het niet goed kan vinden. Hij werkt overdags in een kantoor maar in de avonden slaat de verveling toe. Frits zoekt dan ook actief naar bezigheden en hij vindt zichzelf vaak bij zijn vrienden aan de deur. Terwijl hij met zijn vrienden is, kom je het meest over Frits te weten. Tijdens zijn conversaties wordt het duidelijk dat Frits is gedreven door angst. Angst voor verveling en angst voor de dood, om specifiek te zijn: angst voor het afsterven van het menselijk lichaam.

Ik heb gedichten opgezocht waarvan ik denk dat ze bij De Avonden passen en bij de emotie verveling.


Het eerste gedicht is van Aleksander Wat en het is genaamd: De Droom van een Flamingo. In dit gedicht wordt door Wat het gevoel beschreven wanneer iemand verdrinkt. Bij verveling krijg je ook het gevoel dat je verdrinkt. Niet door water, maar door een overvloed aan tijd.

De droom van een flamingo

Water water water. Overal alleen maar water.
Was er maar land! Een duimbreed land, wat voor land ook!
Om een poot neer te zetten! Eén poot!

We hebben de goden gesmeekt! Allemaal!
Die van het water, het land, van het noorden, het zuiden.
Om een duimbreed, een spanne, een kruimel vast land, welksoorts ook!
Genoeg om slechts de klauw van één poot neer te zetten!
Niets. Alleen water. Niets dan water.
Water water water.
Een korrel vast land, één korrel maar!
We zijn verloren.


Het tweede gedicht is geschreven door Jan Eijkelboom en heet De Winterschilder. Door woorden als ‘grijze’, ‘bestoft’, ‘schemering’ en ‘gebrek aan kleur’ krijg dit gedicht een sombere toon. Met name de woorden die duiden op kleurgebruik wijzen op eentonigheid. Ook beschrijft Eijkelboom het verstrijken van de tijd terwijl de gebeurtenissen geen verschil maken in het kleurloze bestaan. Dit in combinatie met een ‘overvloed aan schaarste’ doet dit mij denken aan saaiheid en in het bijzonder aan verveling.

De winterschilder
Achter het grijze ijs op de sloot
liggen de velden tot aan
een onbesliste einder:

bestoft velours, versleten trijp, niet
ongelijk aan hoe in vroegere treinen
de banken waren bekleed.

Nevel en schemering doen wie het
eerste er is, negeren de
voortijlende Thalys.

Men zou wel schilder willen zijn
om dit gebrek aan kleur
op linnen te bewaren.

Maar ook zo kan de forens het
in zijn vlietend beeldarchief
opslaan voor later.

Die dan weer weet: het was genoeg
heel deze overvloed
aan schaarste


Het laatste gedicht dat ik heb uitgekozen heet Steen en is geschreven door M. Vasalis. Dit gedicht was hoogstwaarschijnlijk anders bedoeld. Maar dit gedicht past perfect in de context van De Avonden. Door Frits’ zijn verdriet over zijn verschillende angsten sluit hij zichzelf af van de buiten wereld. Je kan zijn angst voor de dood bijna een obsessie noemen en hij heeft het dan ook vaak over dit onderwerp. Hiermee schrikt hij  in feite mensen af, en begint hij zich zonder enig besef af te zonderen.

Steen
Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos wordt als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.

Naar aanleiding van De Avonden en de thema’s angst voor de dood en eenzaamheid, heb ik de volgende sonet geschreven.

Nacht
Koel en bewegingloos is het lichaam
Het lijk dat mij werd gebracht
Bang. kan ik nog slapen vannacht
Dit bestaan is ondragelijk eenzaam

Er is geen ontkomen aan
Het klappen van vleugels komt steeds dichterbij
Vluchten is niet mogelijk, het is nabij
Zal ik dit monster ooit verslaan?

Met zweet op mijn hoofd word ik wakker
Schreeuwend, maar niemand die mij hoort.
Elke dag wordt ik genadeloos zwakker

Nacht na nacht gaat de winter voort
Het koord om mijn nek wordt steeds strakker

Geen mens die deze stilte verstoord

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen